blinde

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈblɪndə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die niet kan zien
    De blinde had een blindengeleidehond nodig om naar zijn werk te kunnen gaan.
    „Maar ik vroeg me af: wat missen blinden nog?”, zegt Dylan Verburg, student aan de Universiteit Twente. Daarom interviewde Dylan een blinde persoon en deed hij een kleine enquête onder blinden. De uitkomst: blinden willen heel graag de gezichtsuitdrukking ‘zien’ van de persoon met wie ze praten.Karel Berkhout NRC 20 februari 2016
    'Zelfs een blinde kon zien dat het een overtreding was, idioot,' becommentarieerde de man met de harde stem.
  2. vensterluik, blind
    Voor de nacht moesten we eerste de blinden sluiten.

Etymologie

*"blind" met de uitgang -e

Vertalingen

DuitsBlinder
Spaansciego