blinddoek

/'blɪnduk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
    Niet voor niets draagt Vrouwe Justitia een blinddoek.
    Bij het spelletje ezeltje prik heeft het kind een blinddoek om.

Vertalingen

Engelsblindfold
Fransbandeau
DuitsAugenbinde