bliksem
mannelijk (de)/blɪksəm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) (elektrotechniek) lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer ten gevolge van een elektrische ontladingDe bliksem zette de boerderij in brand.De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte. Bliksem en storm.De meeste ontladingen vinden in de wolk zelf plaats. Maar soms is het spanningsverschil tussen de wolk en het aardoppervlak te groot en dan slaat de bliksem in.
tussenwerpsel
- (krachtterm) verdorie
Etymologie
* In de betekenis van ‘elektrische vonk bij onweer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Uitdrukkingen
- Als door de bliksem getroffen zijn — Stomverbaasd, sprakeloos, totaal overrompeld e.d. zijn door iets
- Donder en bliksem! — Standaardvloek (~ verdomme, verdorie, ...)
- Geen bliksem — Helemaal niets
- Loop naar de bliksem! — Donder op, ga weg, hoepel op e.d.
- Naar de bliksem gaan — Kapotgaan, verloren gaan
Vertalingen
Engelslightning
Fransfoudre
DuitsBlitz
Spaansrelámpago, rayo
Russischмолния
Poolspiorun
Zweedsblixt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek