blikken
/ˈblɪkə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- van blik vervaardigdEr zat een blikken plaatje opgeschroefd.Ze begroef de snuisterijen in een blikken doos bij de put en ging ze af en toe bekijken.
- alsof van blik vervaardigd of afkomstig daarvanDe toeter produceerde een schel blikken geluid.
werkwoord
- (inerg) in een bepaalde richting kijkenHij blikte even naar haar, maar moest snel zijn aandacht weer op het verkeer richten.
- (inerg) schittereneen fraai blikkend scherp mes
Etymologie
*[werkwoord 3] verbastering van (ver-)bleken
Vertalingen
Engelslook, look at, regard
Spaansde lata, mirar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek