blijven
/ˈblɛivə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (copl) ~ + predikaat niet veranderen, voortdurenHet blijft vervelend, zoiets.Bezorgd en koud wikkelde ik mijn regenjas om mijn voeten in de hoop droog te blijven.
- (modl) ~ + onbepaalde wijs niet veranderen, voortduren, doorgaanDe bal, die tegen de muur geworpen wordt, blijft terugkomen.De vervelende man blijft maar door praten.Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.
- (erga) ergens vertoeven en er niet weggaanHij wilde graag op die camping blijven.
Etymologie
*(erfwoord): Middelnederlands blīven, zelden belīven, uit Oudnederlands bilīvan, ontwikkeld uit Oergermaans *bilībanan, gevormd bij het sterke werkwoord *līban- ‘(over)blijven’, bij de Indo-Europese wortel *leip-, waartoe ook Tochaars A/B lipā- ‘blijven’, Oudgrieks lípos ‘vet’, Tsjechisch lepit ‘vastkleven’ en Litouws lìpti ‘blijven vastzitten’ behoren. Eveneens Nederduits blieven, Duits bleiben, Fries bliuwe en Gotisch bileiban.
Uitdrukkingen
- Aan de strijkstok blijven hangen — geld dat aan een constructief doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken
- Achter de schermen blijven — geen bekendheid ergens mee willen krijgen terwijl diegene het wel bedacht heeft
- Bij de weg blijven
- In gebreke blijven
- Bij moeders pappot blijven — Niet zelfstandig en afhankelijk van de ouders blijven
- Buiten schot blijven — zorgen voor het zelf geen gevaar lopen
- Buiten spel blijven — (willen) proberen niet betrokken te zijn
- Eens gezegd, blijft gezegd — als iemand iets belooft moet die dat ook uitvoeren
Vertalingen
Engelsstay, remain, keep
Fransrester, séjourner
Duitsbleiben, dauern
Spaansmantenerse, quedar siendo, continuar siendo
Poolszostawać
Zweedsförbli, densamme, släntra
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek