blazen

/ˈblazə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) een luchtstroom veroorzaken
    Blaas even, dan koelt het wel af.
    In het zakje blazen.
    Het kind moet hard blazen om de kaarsjes uit te laten gaan.
  2. ov (ov) met een luchtstroom iets vervaardigen
    Dit glas wordt geblazen, niet gewalst.
    Bellen blazen.
  3. ov (ov) een blaasinstrument bespelen
    Hij blies een vrolijk deuntje.
  4. door een luchtstroom verplaatst worden
    Negen kinderen in het West-Duitse Gondershausen zijn gewond geraakt toen zij vielen uit een springkasteel dat de lucht in werd geblazen. Vijf van hen zijn er ernstig aan toe, melden Duitse media.
  5. dierkunde (dierkunde) (v.e. kat) een sissend geluid maken om angst of boosheid uit te drukken
    De kat blies naar hem.
werkwoord
  1. jongerentaal (jongerentaal) roken van een sigaret of joint
    Hij wilde eerst blazen voor hij naar binnen ging

Etymologie

*[B]: terug ontleend van "blaze" "wiet roken"

Uitdrukkingen

  • Hoog van de toren blazenEisen stellen omdat je jezelf wel heel erg belangrijk vindt
  • Beter hard geblazen dan de mond gebrand.Het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid een ongeluk gebeurt/iets fout gaat
  • De aftocht blazenVerliezen en weggaan
  • De kraaienmars blazenDoodgaan
  • Flink in de bus blazenVoor een bepaald doel veel geld uitgeven of beschikbaar stellen
  • Het is [xxx] geblazenDat ([xxx]) moet er nu gebeuren
  • Geen veer van de mond kunnen blazenHeel zwak en/of heel arm zijn
  • Van toeten noch blazen wetenErgens geen verstand van hebben

Vertalingen

Engelsblow
Franssouffler
Duitsblasen, pusten
Spaanssoplar