blazen
/ˈblazə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een luchtstroom veroorzakenBlaas even, dan koelt het wel af.In het zakje blazen.Het kind moet hard blazen om de kaarsjes uit te laten gaan.
- (ov) met een luchtstroom iets vervaardigenDit glas wordt geblazen, niet gewalst.Bellen blazen.
- (ov) een blaasinstrument bespelenHij blies een vrolijk deuntje.
- door een luchtstroom verplaatst wordenNegen kinderen in het West-Duitse Gondershausen zijn gewond geraakt toen zij vielen uit een springkasteel dat de lucht in werd geblazen. Vijf van hen zijn er ernstig aan toe, melden Duitse media.
- (dierkunde) (v.e. kat) een sissend geluid maken om angst of boosheid uit te drukkenDe kat blies naar hem.
werkwoord
- (jongerentaal) roken van een sigaret of jointHij wilde eerst blazen voor hij naar binnen ging
Etymologie
*[B]: terug ontleend van "blaze" "wiet roken"
Uitdrukkingen
- Hoog van de toren blazen — Eisen stellen omdat je jezelf wel heel erg belangrijk vindt
- Beter hard geblazen dan de mond gebrand. — Het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid een ongeluk gebeurt/iets fout gaat
- De aftocht blazen — Verliezen en weggaan
- De kraaienmars blazen — Doodgaan
- Flink in de bus blazen — Voor een bepaald doel veel geld uitgeven of beschikbaar stellen
- Het is [xxx] geblazen — Dat ([xxx]) moet er nu gebeuren
- Geen veer van de mond kunnen blazen — Heel zwak en/of heel arm zijn
- Van toeten noch blazen weten — Ergens geen verstand van hebben
Vertalingen
Engelsblow
Franssouffler
Duitsblasen, pusten
Spaanssoplar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek