blankheid

vrouwelijk (de)/'blɑŋkhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het wit of bleek zijn
    Jazeker, een antilope, want de vrouw in kwestie is blank (‘als een gepolijste spiegel’) en blankheid werd hoog geprezen, want het was een teken van weelde: de vrouw hoefde niet te werken in de zon en kon de hele dag in haar tent blijven (‘slapend tijdens de dageraad.’ ) NRC Hafid Bouazza 9 januari 2016 [https://www.nrc.nl/nieuws/2016/01/09/wat-een-sukkels-zijn-die-mannen-1574075-a354476 'Het machismo van de Arabier is pathologisch']
    Beiden zijn in het zwart gekleed en Oopjen draagt zelfs een zwarte sluier, maar dat zijn geen tekenen van rouw. Dergelijke kleding droeg de elite in deze periode op hoogtijdagen. Het zwart benadrukt de destijds gewenste blankheid van de huid. Dat geldt ook voor de tache de beauté op Oopjens linkerslaap. Voor de modepolitie van destijds moet het door kleine details direct zichtbaar zijn geweest dat ze uit Amsterdam kwam en dat ze iets achterliep op de allerlaatste Parijse mode. NRC Roelof van Gelder 26 september 2015 [https://www.nrc.nl/nieuws/2015/09/26/ze-pronkten-graag-met-hun-rijkdom-1537427-a156831 Ze pronkten graag met hun rijkdom]
  2. het zonder zonden zijn
    In deze twee kleuren moeten wij ons Hoofd Jezus Christus gelijkvormig zijn. Eerst moeten wij het beeld van Christus gelijkvormig zijn in Zijn blankheid, om Zijn heilig leven na te volgen. Reformatorisch Dagblad 28-01-2004 [https://www.rd.nl/kerk-religie/meditatie/blank-en-rood-1.202975 Blank en rood]
  3. onschuld, reinheid

Etymologie

* afleiding van blank