bit
onzijdig (het)/bɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (paardrijden) een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te makenDe ruiter trok aan het bit om zijn rijdier van richting te doen veranderen.
- (tandheelkunde) een gebitsbeschermer, ook gebruikt bij bijv. bepaalde sportenDe hockeyspelers hebben een bitje in.
- (gereedschap) verwisselbare stift [1] die in bijv. een boormachine wordt geplaatstInstalleer het bit in de boormachine.
zelfstandig naamwoord
- (informatica) in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatieDe afkorting voor bit is een kleine b.
Etymologie
* van bijten
Vertalingen
Engelsbit, bit
Fransbit
DuitsKandare, Bit
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek