bisschop

mannelijk (de)/bɪsxɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie, beroep (religie) (beroep) een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
    Hij is al jaren een residerende bisschop.
    Paus Franciscus heeft zaterdag nieuwe regels uitgevaardigd die het makkelijker moeten maken bisschoppen en leiders van religieuze ordes uit het ambt te zetten die seksueel misbruik door geestelijken hebben geprobeerd te verhullen of te bagatelliseren. [https://www.nrc.nl/nieuws/2016/06/06/maatregel-paus-bisschoppen-sneller-uit-ambt-na-v-1626608-a1028840 NRC 6 juni 2016]
    Myra is een stadje in Lycië, aan de zuidkust van Turkije. Daar hebben twee bisschoppen gewoond die Nicolaas heetten. De eerste leefde in het begin van de vierde eeuw en de geleerden zijn het nog steeds niet met elkaar eens of over hem iets met zekerheid kan worden gezegd.

Etymologie

*Komt van het Latijnse episcopus (bisschop) en van het Griekse episkopos (iemand die toezicht houdt), wat op haar beurt van het Griekse epi (naar) en skopeo (ik kijk naar) komt.

Vertalingen

Engelsbishop
Fransévêque
DuitsBischof
Spaansobispo
Italiaansvescovo
Portugeesbispo
Russischепископ
Japans司教
Koreaans주교
Turkspiskopos
Poolsbiskup
Zweedsbiskop
Deensbiskop