biscuit
/bɪsˈkwi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (n): een droog en bros gebak gemaakt zonder vetIn de bakkerij wordt enkel biscuit gemaakt.
- (m) of (n): een koekje van het biscuitgebakKun je mij twee biscuitjes aangeven?Berucht om hun smakeloosheid zijn de Maria biscuitjes die je bij de thee kreeg.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘droog gebak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek