bis
mannelijk/vrouwelijk (de)/bis/
Betekenis
tussenwerpsel
- nog eens roep vanuit het publiek om een toegiftHet enthousiaste publiek gaf een staande ovatie en riep bis! bis!.
zelfstandig naamwoord
- (muziek) een met een halve toon verhoogde toon "b"De toon “bis” klinkt in de getempereerde stemming gelijk aan de toon “c”.
- (muziek) de grondtoon (tonica) van de “bis-mineurtoonladder”, een toonladder met 9 kruisen als voortekens, tevens een korte aanduiding van die toonladderEen muziekstuk in bis wordt daargaans genoteerd in het gelijkklinkende c-mineur, dat slechts drie mollen als voortekens heeft.
- (muziek) de grondtoon van het “bis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toonDe drie tonen van het bis-mineurakkoord (symbool: Bm) in grondligging, zijn: bis - dis - fisis.
- extra toevoegsel bij een huisnummer (meestal worden hiervoor echter de letters van het alfabet gebruikt)Hij woonde op nummer 30 bis
Etymologie
*(zn) b
Vertalingen
EngelsB-sharp, Bis-sharp minor, B-sharp minor
Franssi dièse, si dièse mineure, si dièse mineur
Duitshis, his-Moll, his-Moll
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek