bis

mannelijk/vrouwelijk (de)/bis/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. nog eens roep vanuit het publiek om een toegift
    Het enthousiaste publiek gaf een staande ovatie en riep bis! bis!.
zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) een met een halve toon verhoogde toon "b"
    De toon “bis” klinkt in de getempereerde stemming gelijk aan de toon “c”.
  2. muziek (muziek) de grondtoon (tonica) van de “bis-mineurtoonladder”, een toonladder met 9 kruisen als voortekens, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    Een muziekstuk in bis wordt daargaans genoteerd in het gelijkklinkende c-mineur, dat slechts drie mollen als voortekens heeft.
  3. muziek (muziek) de grondtoon van het “bis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    De drie tonen van het bis-mineurakkoord (symbool: Bm) in grondligging, zijn: bis - dis - fisis.
  4. extra toevoegsel bij een huisnummer (meestal worden hiervoor echter de letters van het alfabet gebruikt)
    Hij woonde op nummer 30 bis

Etymologie

*(zn) b

Vertalingen

EngelsB-sharp, Bis-sharp minor, B-sharp minor
Franssi dièse, si dièse mineure, si dièse mineur
Duitshis, his-Moll, his-Moll