bintje
/ˈbɪncə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (landbouw) aardappelvariëteit,
Etymologie
*[2] (eponiem), vernoemd naar een leerlinge, Bintsje Jansma (vernederlandst tot Bintje Jansma) door de Friese schoolmeester en aardappelteler Kornelis Lieuwes de Vries, voor het eerst aangetroffen in het jaar 1905
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek