binocle

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. optica (optica) een knijpbril of binoculaire verrekijker, onder meer gebruikt om toneelvoorstellingen beter te zien
    Hij droeg nog z'n ouderwetse binocle.
    En vluchtte hij als de trappen af, bang, dat iemand hem na zou roepen, dat hij zijn binocle vergat.Louis Couperus, [http://dbnl.org/tekst/coup002proz02_01/coup002proz02_01_0011.php De binocle], Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dubbele veld- of toneelkijker’ voor het eerst aangetroffen in 1778

Vertalingen

Engelspair of binoculars, binocs
Fransbinocle
DuitsBinokel