binnenkruipen

Betekenis

werkwoord
  1. op handen en voeten ergens naar binnen gaan
    Tijdens een surveillanceronde volgen agenten twee mannen die veel interesse tonen in woningen waar geen licht brandt. Na enkele minuten zien de agenten de mannen een raam opentrappen en een woning binnenkruipen.
  2. stiekem, ongemerkt ergens insluipen
    Niettemin bewijzen publicaties dat men vuurbang bleef voor een eigenmachtige uitlegging van het „in gemeenschap met.” Bij de aanvaarding van de kerkorde kwam de draagwijdte van het punt nogmaals uitvoerig aan de orde: niet-gereformeerde belijders mochten niet door de mazen van de kerkorde de kerk binnenkruipen.
  3. in de gedachten / in het gemoed gekomen
    Na die verschrikkelijke dag was er een door hemzelf gecreëerd virus zijn gedachtegoed binnengekropen.