binnenkant
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de zijde die in een bepaalde afgeschermde ruimte gelegen isDe binnenkant van dit vat is beschermd tegen corrosie met een speciale verflaag.De binnenkant van de jas ik van bont terwijl de buitenkant waterafstotend is.Ze zien de binnenkant van het kabinet, verdeeld in negen vakken waarvan sommige wandbekleding met bladgoud hebben en andere houten panelen.
- het geestelijke leven van een persoon'Alleen qua uiterlijk was het Jeroen.' De binnenkant deed niet meer mee. De blik in zijn ogen was leeg.
- de zijde die tussen twee zaken in ligtNa het plassen waste ik mijn handen en gezicht en zeepte de binnenkant van mijn dijen licht in.
Vertalingen
Fransdedans, intérieur
DuitsInnenseite
Spaansparte interior, lado interior
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek