binnenkant

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de zijde die in een bepaalde afgeschermde ruimte gelegen is
    De binnenkant van dit vat is beschermd tegen corrosie met een speciale verflaag.
    De binnenkant van de jas ik van bont terwijl de buitenkant waterafstotend is.
    Ze zien de binnenkant van het kabinet, verdeeld in negen vakken waarvan sommige wandbekleding met bladgoud hebben en andere houten panelen.
  2. het geestelijke leven van een persoon
    'Alleen qua uiterlijk was het Jeroen.' De binnenkant deed niet meer mee. De blik in zijn ogen was leeg.
  3. de zijde die tussen twee zaken in ligt
    Na het plassen waste ik mijn handen en gezicht en zeepte de binnenkant van mijn dijen licht in.

Vertalingen

Fransdedans, intérieur
DuitsInnenseite
Spaansparte interior, lado interior