bingo
onzijdig (het)/ˈbɪŋɡo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (spel) kansspel, waarbij elke speler een eigen formulier met rijen nummers heeft en hierop die nummers aftekent die door een spelleider willekeurig worden getrokken en omgeroepen, totdat een speler een complete rij afgetekende nummers heeft en "Bingo!" roeptIn het buurthuis wordt dit weekeind een bingo georganiseerd.
tussenwerpsel
- een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
- een uitroep bij het vinden van iets waar naar men op zoek wasJeroen zag als eerste waar ze zo koortsachtig naar zochten. Bingo,' zei hij koel. 'Helderrood polsbandje,' antwoordde Chantal.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: uitroep na een rake opmerking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1985
Vertalingen
Engelsbingo, bingo
Fransbingo, bingo
DuitsBingo
Spaansbingo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek