bindsel

onzijdig (het)/'bɪntsəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zeer stevig en strak aangelegd verband
    `De mannen zagen de gebonden voeten zelden naakt, omdat er gewoonlijk een laag rottend vlees overheen lag en ze stonken als de bindselen werden verwijderd.(-) De pijn werd niet alleen veroorzaakt door de gebroken botten, maar ook door de teennagels, die in de ballen van haar voeten groeiden', aldus Jung Chang. NRC Betty van Garrel 17 september 1999 [https://www.nrc.nl/nieuws/1999/09/17/beddeplanktijgers-en-vlindervoetjes-10451312-a277377 Beddeplanktijgers en vlindervoetjes]
  2. een stevig iets dat iets bij elkaar houdt
    In de geloofsgemeenschap worden deugden aangekweekt, die tot het bindsel van een goedgeordende samenleving behoren: nauwgezetheid van geweten, oprechtheid en betrouwbaarheid in woord en daad, rechtvaardigheid in handel en wandel, verdraagzaamheid jegens andersdenkenden, vredelievendheid in maatschappelijke contacten. Reformatorisch Dagblad 16-01-2003 Prof. dr. Rudolf Boon [https://www.rd.nl/opinie/op-zoek-naar-de-vaderlandse-deugden-1.159760 Op zoek naar de vaderlandse deugden]

Etymologie

* van binden