binden
/ˈbɪndə(n)/
Betekenis
werkwoord
- vastmaken (evt. figuurlijk), bevestigenHij bond de boot met een touw vast aan de paal.Door het schriftelijke contract waren de beide bedrijven gebonden aan de gemaakte afspraken.Zij transformeerde van echtgenote tot de moeder die alle trucs uit het boek tevoorschijn haalde om haar enige zoon nog meer dan voorheen aan zich te binden.
- iets om iets anders leggenHij bond een sjaal om zijn nek om een verkoudheid te voorkomen.
- dikker maken van een saus meestal door bloemHij heeft de soep gebonden door er bloem aan toe te voegen en daarna te koken.
- niet meer helemaal vrij zijnHet vrije ondernemerschap is in Nederland gebonden aan wet- en regelgeving.
Etymologie
*Komt uit de PIE-wortel *bhendh en het Gotische bindan.
Uitdrukkingen
- de kat op het spek binden
Vertalingen
Engelstie, bind
Fransattacher, lier
Duitsbinden
Spaansatar
Turksbağlamak
Poolswizać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek