bikini

mannelijk (de)/biˈkini/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding, zwemmen (kleding), (zwemmen) tweedelige zwemkleding voor de vrouw
    Ze trok alle aandacht in haar bikinietje.
    Ze droegen bikini's met tijgermotieven en glimlachten verleidelijk.
    Mijn moeder en vader stonden in badkleding bij de steiger en glimlachten naar de camera, zij in een tweedelig badpak, dus geen bikini, hij in zo'n strakke zwembroek.

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘tweedelig badpak’ voor het eerst aangetroffen in 1952

Vertalingen

Engelsbikini
Fransbikini, deux-pièces
DuitsBikini
Spaansbiquini
Italiaansbichini, bikini, duepezzi
Koreaans비키니
Turksbikini
Poolsbikini
Zweedsbikini
Deensbikini