bijwoning
vrouwelijk (de)/'bɛɪwonɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een extra woning naast de hoofdwoningZorgvuldig, uitgebalanceerd handhavingsbeleid, zo duidde de gemeentewoordvoerder maandag bij de Raad van State het dwangbevel voor de tot bijwoning verbouwde schuur bij de hoofdwoning van Katgert. De familie bestaat uit moeder, kinderen en kleinkinderen. Volgens Dirk-Jan Katgert bestond er geen enkele reden voor de gemeente om op 19 september 2015 met een dwangbevel de bijwoning binnen te dringen. Immers, de gemeente wist al sinds 2009 dat het bijgebouw bij de hoofdwoning door de familie als ‘onzelfstandig woonverblijf’ werd gebruikt. Tubantia 30-11-16 [https://www.tubantia.nl/borne/staatsraad-is-verbaasd-over-borne~a1c83512/ Staatsraad is verbaasd over Borne]
- het aanwezig zijn bij een gebeurtenis of plechtigheidOp die kaart stond: „Bezichtiging van den Tabernakel zonder bijwoning van den Evangeliedienst, die daarbij plaats heeft, wordt aan niemand toegestaan.” Het verhaal gaat dat toen ds. Schouten in Apeldoorn stond, koning Willem III ook wilde kijken, maar dat Schouten hem dat verbood omdat Zijne Majesteit de Evangelieboodschap niet wenste te horen. Reformatorisch Dagblad Ds. M. van Kooten 31-08-2012 [https://www.rd.nl/kerk-religie/de-bloedzuiger-heeft-200-dochters-1.681896 De bloedzuiger heeft 200 dochters]
Etymologie
* [2] afleiding van bijwonen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek