bijligger

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand waarmee men het bed deelt; echtgenoot
    Als het bed er maar goed op zijn pooten staat en zacht ligt, steekt de bijligger zoo nauw niet! Tubantia (1919)–Georges Eekhoud [https://www.dbnl.org/tekst/eekh003kees01_01/eekh003kees01_01_0005.php Kees Doorik of een bloedig half-vasten]

Etymologie

* van bijliggen