bijl

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɛil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt en gewoonlijk met twee handen gehanteerd wordt
    We gebruiken altijd een bijl bij het doorhakken van de blokken hout.
  2. gereedschap (gereedschap) haktuig in het algemeen
    Er schoot een pijn in zijn voorhoofd alsof er een bijl in werd gezet en hij was bang dat zijn braakgeluiden de anderen uit hun slaap zouden houden.
    Geen bijl zal zijn leven bekorten, niets zal hem schade berokkenen.
    De slager gebruikt een bijltje om de botten door te hakken.

Etymologie

*van Middelnederlands "bile", in de betekenis van ‘werktuig’ aangetroffen vanaf 1240

Uitdrukkingen

  • Er met de grove (brede) bijl in hakkenIets op een grove manier aanpakken
  • Het bijltje erbij neergooienErgens mee stoppen, het opgeven
  • Met de botte bijlOp een grove manier

Vertalingen

Engelsaxe
Franshache
DuitsBeil, Axt
Spaanshacha
Italiaansascia, accetta
Portugeesmachado, acha
Russischтопор
Chinees
Japans
Koreaans도끼
Arabischفأس
Turksbalta
Poolstopór
Zweedsyxa
Deensøkse