Bies
mannelijk/vrouwelijk (de)/bis/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een smal boordsel op een kledingstuk, smalle strook stof aan de rand van een kledingstukDe vrouw versierde en beschermde het kledingstuk fraaie zijden bies.
- (bloemplanten) een geslacht uit de cypergrassenfamilie (). De soorten uit dit geslacht hebben een kosmopolitisch verspreidingsgebied en komen dus bijna overal ter wereld voor
- een steel van de bies
- een smalle en rechte versieringslijn
Etymologie
* In de betekenis van ‘boordsel aan kleding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1854
Uitdrukkingen
- Weggaan, wegwezen, zich uit de voeten maken.
Vertalingen
Franspassepoil
Spaansgalón, pasamano, junco
Russischкамыш
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek