bidon

mannelijk (de)/biˈdɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. waterfles voor op de fiets
    De waterdrager deelde de door hem opgehaalde bidons uit aan zijn ploeggenoten.
    Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘blikken veldfles’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912

Vertalingen

Engelsbidon