bezwijken

/bəˈzwɛikə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zwichten
  2. erga (erga) opgeven
    De man bezweek aan de gevolgen van het ongeval.
    De peuter bezweek korte tijd later in het ziekenhuis. Het jongetje was volgens officier van justitie Eli Gabel 'een vrolijk, energiek jongetje, een goedverzorgd kindje'. Zowel het slachtoffertje als de verdachte zijn van Ghanese origine.
    De vrachtwagen bezweek onder de te zware vracht.

Etymologie

*afgeleid van zwijken , in de betekenis van ‘sterven’ aangetroffen vanaf 1682

Vertalingen

Engelscollapse, succumb
Franscéder
Duitserliegen, Erliegen, erliegen
Spaanshundirse, sucumbir