bezitter

mannelijk (de)/bə'zɪtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) iemand die het bezit van iets heeft, maar niet noodzakelijk ook DE eigendom
    De bezitter van dit landhuis heeft er goed aan verdiend.

Etymologie

*afgeleid van bezitten

Vertalingen

Engelspossessor
Franspossesseur
DuitsBesitzer
Spaansposesor, poseedor
Italiaanspossessore
Portugeespossuidor, possessor
Poolsposiadacz