bezitter
mannelijk (de)/bə'zɪtər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) iemand die het bezit van iets heeft, maar niet noodzakelijk ook DE eigendomDe bezitter van dit landhuis heeft er goed aan verdiend.
Etymologie
*afgeleid van bezitten
Vertalingen
Engelspossessor
Franspossesseur
DuitsBesitzer
Spaansposesor, poseedor
Italiaanspossessore
Portugeespossuidor, possessor
Poolsposiadacz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek