bezitsdrang

mannelijk (de)/bə'zɪtsdrɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de zucht om veel bezit te hebben of te vergaren
    Nee, Tsjechovs bezitsdrang moet zijn wortels elders hebben.
    Maar de bezitsdrang van Chinezen is niet meer te stuiten. Veel echtparen scheiden nu, om onafhankelijk van elkaar te kunnen investeren in meerdere huizen en gaan daarna weer samenwonen.