bezem

mannelijk (de)/ˈbezəm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap, huishouden (gereedschap) (huishouden) voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
    Met een bezem veeg je vooral grof vuil bij elkaar.
    Iets hiervan heeft nog lang geleefd in de `Sinterklaaskerels'. Het waren jongens in vrouwenkleren, zwaaiend met een bezem.

Etymologie

*van Middelnederlands "bessem" / "beseme", in de betekenis van ‘werktuig om te vegen’ aangetroffen vanaf 1240; stamt af van *besmon, cognaat met "besom" en "Besen"

Uitdrukkingen

  • De bezem de mast inop zee de baas zijn
  • De deur uit bezemenwegjagen
  • Het vuil gaat voor de bezemgezegd over iemand die zich hooghartig opstelt
  • Nieuwe bezems vegen schoonnieuwe bazen gaan anders met zittend personeel om
  • Over de bezem getrouwd zijnongehuwd samenwonen, hokken
  • : "besem"

Vertalingen

Engelsbroom
Fransbalai
DuitsBesen
Spaansescoba
Italiaansscopa
Portugeesvassoura
Russischметла
Chinees
Japans
Koreaans
Arabischمكنسة
Turkssüpürge
Poolsmiotła
Zweedssopkvast, kvast
Deenskost, fegekost