bezegeling

vrouwelijk (de)/bə'zeɣəlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bevestiging van een gemaakte afspraak
    De advocaat probeerde collegiaal te lachen terwijl hij zijn hand uitstak ter bezegeling van de overeenkomst, maar bedacht zich snel en onder drukte de impuls.

Etymologie

* afleiding (nomact) bezegelen