bewaren
/bəˈwarə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt; behoudenHij bewaarde de papieren van de werkgever.Met veel moeite wist Chantal haar evenwicht te bewaren.
- behouden om het later te kunnen gebruikenHij had al zijn geschreven en ontvangen brieven bewaard zodat hij later een autobiografie zou kunnen schrijven.
Etymologie
* Middelnederlands bewāren ‘het oog houden op, bewaren, beschermen, zorgen, in acht nemen’, afleiding op be- van wāren ‘bewaken, zorgen voor, bewaren, letten op’ (waaruit verouderd waren ‘in het oog houden, bewaken’), zelf afgeleid van het zn. wāre ‘opmerkzaamheid, hoede, zorg, aandacht’. Evenzo afgeleid zijn Nederduits bewohren ‘behouden’, Duits bewahren, Fries bewarje ‘bewaren’ en Engels beware ‘zich hoeden voor’.
Uitdrukkingen
- Die zijn lichaam ( of zijn lijf) bewaart, bewaart geen rotten appel
- In de kleinste potjes bewaart men de beste zalf
- geheimen bewaren — iets geheim houden een geheim niet doorvertellen
Vertalingen
Engelskeep, save, preserve
Fransgarder, conserver, préserver
Duitserhalten, aufbewahren
Spaansguardar, conservar, preservar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek