bewaking

vrouwelijk (de)/bəˈwakɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het beveiligen van iets of iemand
  2. het opletten op iets of iemand
  3. de mensen of de systemen die iets beveiligen
  4. de mensen of de systemen die ergens op letten of op iemand letten
    Kijk uit voor de bewaking, anders worden we gesnapt!
    De door de barman gealarmeerde bewaking vindt hem op de bodem van het zwembad.

Etymologie

*Naamwoord van handeling van bewaken

Vertalingen

Engelssurveillance
Franssurveillance
DuitsBewachung
Spaansvigilancia
Zweedsbevakning