bewaker

mannelijk (de)/bə'wakər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
    De bewaker liet ons niet door de poort gaan.
    'De bewakers waren in de westelijke vleugel vanwege een echtelijke ruzie die uit de hand dreigde te lopen,' antwoordde Kiriakos meteen.
    Dan kwam je nooit langs de spiedende ogen van de bewakers die standaard bij de hotelingang stonden. Ze gingen zitten op een terrasje met uitzicht op de ingang van het hotel.
  2. beroep (beroep) een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet ontsnappen, cipier, gevangenbewaarder
    De bewaker was de mannen aan het tellen.

Etymologie

*afgeleid van bewaken

Vertalingen

Engelsguard
DuitsWächter, Gefängniswärter
Spaansguarda, guardián, carcelero
Russischвахта
Poolsstraznik