bevoorraden

/bəˈvoradə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) voorzien van benodigdheden
    De van de buitenwereld afgesneden stad kon enige tijd niet bevoorraad worden.
  2. refl (refl) zich ~; zichzelf van de nodige zaken voorzien
    Hij bevoorraadde zich met genoeg voedsel om de winter door te komen.

Etymologie

*Afgeleid van voorraad

Vertalingen

Engelssupply
Fransravitailler, approvisionner
Duitsbevorraten, beliefern
Spaansabastecer, abastecerse, aprovisionar