bevoegdheid

vrouwelijk (de)/bəˈvuxthɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het recht tot het uitoefenen van bepaalde handelingen
    Een bureaucraat op het WikiWoordenboek heeft de bevoegdheid om andere gebruikers moderator te maken.
    Door de noodtoestand heeft de president onbeperkte bevoegdheden.
    Ik liep er wat dichter naartoe om te zien wat er aan de hand was en zag twee Park Rangers, federale politieagenten met verstrekkende bevoegdheden. Ze waren met hun zoeklampen een aantal tenten aan het inspecteren op zoek naar drugs. Een aantal hikers probeerde de anderen te waarschuwen, maar het was te laat. Gelukkig werd er alleen wiet gevonden, dat wel geconfisqueerd werd maar waar verder geen straffen voor werden uitgedeeld.

Etymologie

*Afleiding van bevoegd

Vertalingen

Engelsauthority
Fransautorité
DuitsZuständigkeit
Spaansautorización, competencia
Zweedskompetens