bevliegen

/bəˈvliɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) vliegend iets bezoeken
    De bijen bevliegen de boekweit tussen negen en twaalf uur 's morgens (wintertijd).
  2. tweede betekenisomschrijving.
    Zin met het bevliegen in de tweede betekenis erin.
  3. enz.

Etymologie

*Afgeleid van vliegen