beving
vrouwelijk (de)/ˈbevɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (seismologie) aardbeving, het trillen van de grondDe beving deed zich gisteravond voor en had een kracht van 6,1 op de schaal van Richter.
- ongecontroleerde, schokkerige beweging van het lichaamDoor zijn ziekte had hij last van bevingen en verkrampingen.
Etymologie
* van beven .
Vertalingen
Engelsquake, tremor, quiver
Spaanstemblor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek