bevelen

/bə'velə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een dwingende opdracht geven
    Hij beval zijn soldaten de grens over te steken.
    Ze beval zichzelf naar rechts te kijken.
    Laat ik jou dan voor eens en voor altijd duidelijk maken dat ik mij door niemand laat bevelen.
  2. overgeven, toevertrouwen
    Vader in Uw handen beveel Ik Mijn geest.
    Wees Gode bevolen.
    We bevelen vader/moeder in Gods hand.

Etymologie

*Van het Middelnederlands bevelen, van een Protogermaanse wortel *felh-

Vertalingen

Engelscommand
Franscommander
Duitsbefehlen
Spaansordenar