beuzelpraat
mannelijk (de)/ˈbøzəlˌprat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) onzin die iemand verteltDeze jongen had weer enorme beuzelpraat uitgekraamd over de wilde avonturen die hij op zijn vakantie had meegemaakt.
Vertalingen
Engelschit-chat, gossip
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek