betreden
/bəˈtredə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) zich ergens (met de voeten) op begevenHem werd gezegd dat hij de zolder in verband met instortingsgevaar maar beter niet kon betreden.Toen ze de oase verlieten en de onderste trede van de marmeren trap betraden die naar de loge van het hotel leidde, hoorden ze in de verte de bulderende stem van Joop.' Ook roepen we bij het betreden van een kleine ruimte: 'Godskeleruh, as ik hier een stijve krijg, mot 't raam open ' Maar de allerfijnste toevoeging aan ons familielingo was het woord 'lummelbout'.
- de wereld betreden: geboren wordenEr is me verteld dat ze een pijnlijke dood is gestorven toen mijn broertje deze wereld poogde te betreden, zonder daarin te slagen.
Etymologie
*Afgeleid van treden
Vertalingen
Engelsstep, enter
Spaanspisar, entrar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek