bestwil

mannelijk (de)/ˈbɛstwɪl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. om ~ gerechtvaardigd door het goede doel
    Dat was een leugentje om bestwil, maar het bleef wel een leugen.
  2. eigen ~ in eigen belang ondanks bezwaren
    De psychiatrische patiënt moest voor eigen bestwil gedwongen worden opgenomen in een kliniek.
    Paternalisme wordt altijd gerechtvaardigd met een verwijzing naar iemands eigen bestwil.
    ‘Ik zeg het enkel voor je bestwil, lieverd,’ fluisterde ze.