bestellen

/bəˈstɛlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in de toekomst laten leveren door dat eerder af te spreken
    Kan ik twee pizza's bestellen?
    Ik wil twee kaartjes voor de voorstelling bestellen.
    Al dagen fantaseerde ik wat ik zou gaan bestellen: een dubbele hamburger met kaas, augurken en ketchup en hopelijk hadden ze ook mayo voor bij de friet. Het water liep me spontaan in de mond als ik dacht aan een vanille milkshake en cola met ijs.
  2. ov (ov) op een bestemde plaats afleveren
    De man had als taak alle goederen te bestellen met zijn bakfiets.

Etymologie

**[2] in de betekenis van ‘bezorgen (van brieven)’ aangetroffen vanaf 1534

Uitdrukkingen

  • ter aarde bestellen

Vertalingen

Engelsorder, reserve, deliver
Franscommander
Duitsbestellen
Spaanspedir, encargar, demandar
Poolszamawiać