bestek
/bəˈstɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (huishouden) deel van het gerei waarmee het eten aan tafel behandeld wordt, als verzamelnaam voor messen, vorken en lepelsAls je soep eet heb je alleen een lepel nodig als bestek.'Moeder heeft de gewoonte je soms, liefdevol en voor de grap maar toch, een struisvogel te noemen,'zei ze en ze legde haar bestek neer.
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een zeer gedetailleerd omschreven bouwplan inclusief de van toepassing zijnde administratieve, juridische en technische bepalingen, materialen en uitvoeringsvoorwaardenHet bestek was gelukkig op tijd klaar zodat men direct kon beginnen met bouwen.
- (scheepvaart) dagelijks uitgevoerde bepaling van de geografische locatie van een schip op zeeDe stuurman hield nauwkeurig het bestek bij.
- (landbouw) maat gebruikt bij het graven van turf [1]Er bestaat ook nog bij schippers, koopers van den turf, een regel voor het onderzoek naar goed of kwaad bestek van den inhoud van den turfhoop of het vuur; [...][https://books.google.nl/books?id=5gxjAAAAcAAJ&pg=RA1-PA33&lpg=RA1-PA33&dq=%22+den+inhoud+van+den+turfhoop+of+het+vuur%22&source=bl&ots=0PdjdTcqQt&sig=ACfU3U1okP26P04OeVZ7vgWnIaMJN-8wig&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwj2ufvrnMTiAhVGZlAKHWAfATkQ6AEwAHoECAEQAQv=onepage&q=%22%20den%20inhoud%20van%20den%20turfhoop%20of%20het%20vuur%22&f=false Handboek voor veengraverij en landontginning in de hooge veenen, en al wat daartoe behoort], H.L. Stemfoort, 1847
- begrensde ruimte
- (figuurlijk) afgebakend plan, ontwerp, opzetMochten wij de huidige maatregelen wijzigen, dan dient dat binnen het bestek van deze richtlijn te gebeuren.
Etymologie
*[B] In de betekenis van ‘plan’ voor het eerst aangetroffen in 1514 als besteck; van het Middelnederlandse besteken, "afperken"
Vertalingen
Engelscutlery, specifications
Franscouvert
DuitsBesteck
Spaanscubierto, cubertería, pliego de condiciones
Italiaansposateria
Poolssztućce
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek