beroven

/bəˈrovə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand met geweld zijn bezit ontnemen
    Zij werden plotseling aangevallen en beroofd van al hun bezittingen.
  2. iemand het genot van iets doen missen, zaken ontdoen van iets
    Hij beroofde zijn ouders van hun zondagsrust.
    Daar lag ik dan met dubbel geluk Mijn gewillige borsten vol melk Een kop vol zorgen die ik verdruk Over hoe wat waarom en wie welk Te moeten kiezen, elke keer Zonder hem, haar te beroven Van aandacht, liefde, wat zo meer Dreef de zwakkere al naar boven Verblind voor 't toekomstige zeer Waar we massaal op af stoven.

Etymologie

*Afgeleid van roven

Vertalingen

Engelsrob, plunder
Fransdérober
Duitsberauben
Spaansdespojar, robar, asaltar