berouwen
/bəˈrɑuwə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (refl) zich ~ over; met persoon als onderwerp: spijt hebben van ietsLange berouwt zich nu over zijn hand- en spandiensten aan de grote fraudeurs.
- (intr) met persoon als meewerkend voorwerp: spijtenHet berouwde hem nog lang dat hij dat gedaan had.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "berouwen" / "berowen" van Oudnederlands "beruuuan" / "biriuwon", in de betekenis van ‘spijt doen hebben’ voor het eerst aangetroffen in 901; op te vatten als afgeleid van "rouwen"
Uitdrukkingen
- Berouw komt na de zonde — als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw
- Berouw komt steeds te laat — als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw
Vertalingen
Engelsregret, repent
Spaansarrepentirse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek