berkoen

mannelijk (de)/bɛrˈkun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schuin geplaatste balk als ondersteuning en versteviging
  2. stevig rondhout dat als stut gebruikt kan worden
    Te koop 300 beste Zeedijkpalen, lang 7 a 8 voet, 800 berkoen palen lang 7 voet.
  3. scheepvaart (scheepvaart) stutten onder balken die zwaar worden belast
    {{ouds|1805
  4. scheepvaart (scheepvaart) stutten onder een schip in een dok
    {{ouds|1935/46
  5. bouwkunde (bouwkunde) aan beide kanten van een steekgewelf (zadeldak dat haaks in een groter zadeldak opgaat)

Etymologie

*via Middelnederlands "bercoen" van "bracon"