berijdster

vrouwelijk (de)/bə'rɛɪtstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die ergens op rijdt
  2. vrouw die paardrijdt; vrouwelijke ruiter
    Omdat Linda in Berlijn niet meteen een baan als berijdster vond, bestreed ze de verveling en haar verlangen naar Bergamotte met een ondernemingsidee.

Etymologie

* afleiding van (nomact) van berijden