berceau
mannelijk (de)/bɛrˈso/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- pad met aan beide zijden bomen of struiken die aan de bovenzijde met elkaar zijn verbonden, zodat een soort tunnel ontstaat
- (bouwkunde) rustplaats in tuin of park, met open wanden en een overkapping bestaand uit een latwerk begroeid met klimplanten
- (kunst) (gereedschap) soort beitel met een opstaande halfronde getande rand, waarmee een gepolijste koperen plaat ruw gemaakt wordt bij het vervaardigen van een mezzotint
Etymologie
*van "berceau" "wieg, gewelf, loofgang", aangetroffen vanaf 1824
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek