berceau

mannelijk (de)/bɛrˈso/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pad met aan beide zijden bomen of struiken die aan de bovenzijde met elkaar zijn verbonden, zodat een soort tunnel ontstaat
  2. bouwkunde (bouwkunde) rustplaats in tuin of park, met open wanden en een overkapping bestaand uit een latwerk begroeid met klimplanten
  3. kunst, gereedschap (kunst) (gereedschap) soort beitel met een opstaande halfronde getande rand, waarmee een gepolijste koperen plaat ruw gemaakt wordt bij het vervaardigen van een mezzotint

Etymologie

*van "berceau" "wieg, gewelf, loofgang", aangetroffen vanaf 1824