bepotelen

/bəˈpotələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, informeel (ov) (informeel) betasten, met de vingers (of klauwen) aanraken, beroeren
    Er is nóg een typisch „Zuidnederlands" woord in Brakmans laatse roman: „bepotelen" (met de vingers aanraken, betasten) — en ook dat staat in een verband waarover wij vroeger op de knapen- en jongelingsvereniging niet al te veel te horen kregen: een meisje zou „bepoteld" zijn. Ook dat „bepotelen" wordt in het nieuwe woordenboek toegelicht
    Het hindert hem ook dat iedereen die het grafmonument passeert, de uit marmer gehouwen beeltenissen van de beide zeehelden in volle wapenuitrusting ongegeneerd kan bepotelen. „De Wandelkerk wordt ook wel eens voor recepties gebruikt.
    Wilt u ophouden met mij te bepotelen?

Etymologie

*afgeleid van potelen (in Zeeuws, Brabants en Vlaams)