bemuring

vrouwelijk (de)/bəˈmyrɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het omgeven met muren
  2. met muren omgeven ruimte
    Maar net zo goed gehoorzaamde je booty en alles daarboven graag aan de subtiele sfeerzetting op het podium. Zo wist Proesmans met plastiek zakjes een stemmige regenbui in een bos te fingeren ('Bleeder'), terwijl de openingssong 'Caterpillar' dan weer in zen-mood verkeerde met behaaglijk ritselende percussie, en 'Birds' effectief kwetterende vogeltjes introduceerde om je geest buiten de bemuring van de AB te verplaatsen.

Etymologie

* van bemuren