beloven
/bəˈlovə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) toezeggen dat iets gedaan zal wordenDe man beloofde het meisje van alles, maar kwam geen van zijn beloftes na.'Monsieur Point was erg goed in marketing. In die tijd lieten veel mensen zich vervoeren door een chauffeur. Hij beloofde de chauffeurs een gratis maaltijd als ze hun baas naar zijn restaurant zouden brengen', zegt Henriroux.En toen zij zo samen wat gepraat hadden, beloofde de jongen dat hij in de herfst, als de geiten naar binnen waren gebracht, naar het paleis van Sinterklaas zou komen.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands van Oudnederlands "biloven", op te vatten als afgeleid van loven , in de betekenis van ‘afstand doen van’ aangetroffen vanaf 1100
Uitdrukkingen
- beloofd blijft beloofd
- dat belooft wat! — daar valt veel van te verwachten (ook in negatieve zin, dan dus cynisch bedoeld)
- Veel beloven en weinig geven doet de gekken in vreugde leven [http://www.nu.nl/buitenland/4000729/rellen-in-athene-protestmars-griekse-regering.html www.nu.nl]
Vertalingen
Engelspromise
Franspromettre
Duitsversprechen
Spaansprometer
Italiaanspromettere
Portugeesprometer
Russischобещать
Chinees承诺
Japans約束する
Koreaans약속하다
Arabischالوعد
Poolsobiecywać
Zweedsutlova
DeensLøfte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek